Klerikale elite en misbruikten

181022 Cover artikel 200x200

Klerikale ELITE en MISBRUIKTEN
PROEVE VAN PROBLEEMSTELLING
“Het misbruik heeft in onze kerk veel diepere wortels dan menigeen bekend is.”
TEKST AD KRIJNEN

Hoe kan het dat een zo empathische man als paus Franciscus zo’n uitglijder maakte in Chili? Op aangeven van de bisschoppen daar noemde hij de klachten van de misbruikslachtoffers laster. En dat was niet de eerste keer. Ook als aartsbisschop van Buenos Aires toonde hij zich niet toegankelijk voor de klachten van ten minste zes intussen volwassen geworden slachtoffers, zo bracht de Franse documentairemaakster Elise Lucet aan het licht. Bij ons klinken de kille woorden van kardinaal Eijk nog na, dat er op een fatsoenlijke manier betaald is en dat de kous daarmee af is. Twee misbruik- slachtoffers, benoemd tot lid van de pauselijke commissie voor de bescherming van minderjarigen, Peter Saunders en Marie Collins, werden in die commissie gemarginaliseerd en tegengewerkt. Bij de herbenoemingen voor de tweede termijn van die commissie kwamen hun namen niet meer voor. In het algemeen klinkt vaker de klacht dat de officiële kerkelijke benadering sterk juridisch is en weinig oog heeft voor de persoonlijke, vaak levenslange beschadiging van de slachtoffers.

Het misbruik heeft in onze kerk veel diepere wortels dan menigeen bekend is. Eind april wees een van de Chileense slachtoffers, José Andrés Murillo, daar de paus in een vrij en open gesprek uitdrukkelijk op: “Ik heb het belang benadrukt om misbruik te zien als misbruik van macht en gewezen op de noodzaak om verantwoordelijkheid te nemen, iets te doen en niet alleen vergiffenis te vragen.” Er is een duidelijke samenhang met de feodale machtsverdeling, die in onze kerk gegroeid is en nog steeds bestaat, niet alleen volgens de kerkorde, maar meer nog in de bij deze verdeling opgebouwde theologische legitimeringen. Met name een volkomen gekanteld zelfbeeld van de voorganger/priester en een zelfoverschatting van de clerus als ‘eerste stand’, hoger dan keizer/koning/adel en het gewone volk, zijn hierbij nog steeds actueel.

A-HISTORISCHE REALITEITEN In de kerkelijke theologiebeoefening worden geloofsuitspraken en -interpretaties vaak gezien als een soort a-historische realiteiten. Maar onder welke maatschappelijke, culturele en politieke omstandigheden kwamen deze tot stand? Toen begin dit jaar de Amerikaanse theologe zuster Elizabeth A. Johnson in haar studie Creation and the cross: the mercy of God for a planet in peril de bekende offertheorie van Anselmus (de volmaakte God is door de zonde van de mens beledigd; genoegdoening kan hier slechts geschieden door een gelijke: de Zoon Gods; daarom moest deze mens worden om door het kruisoffer deze genoegdoening te kunnen bewerken) een typisch feodale legitimatie noemde, was mijn aandacht onmiddellijk gewekt. Zij wijst dan met name op het feodale beginsel dat genoegdoening alleen door gelijken kan gebeuren. Vele stukjes vielen in een patroon. Daarbij waren ook de onderzoeksresultaten van twee Franse wetenschappers van belang: Georges Duby (1919 - 1996) en Michel Foucault (1926 - 1984). Er zullen theologen zijn die deze werkwijze niet onderschrijven. Laten zij dan reageren op deze ‘proeve van probleemstelling’.

VERBOUWINGEN VAN HET ALOUDE KERKHUIS  Door deze aanpak moet ik met u terug naar lang vervlogen tijden. Met name sinds het grote schisma van 1054 kreeg de bisschop van Rome, patriarch van het Westen, geen tegenwicht meer van de vier andere patriarchen (Jeruzalem, Antiochië, Alexandrië, Constan- tinopel). Van deze grotere beleidsruimte werd vaak gebruik/ misbruik gemaakt. De kloof met de orthodoxie werd daardoor gaandeweg dieper. Schillebeeckx heeft gewezen op dit vaak onderbelichte aspect van de verdere ontwikkelingen in het Wes- ten. Omdat in onze westerse landen intussen een feodaal stelsel gekomen was, waarbij de bisschoppen al te zeer tot feodale leenmannen van keizer en koning dreigden te worden, kwam er een felle strijd om de macht in kerkelijke zaken: de investituur strijd (11e - 12e eeuw). De patriarch van het Westen, intussen dus paus van de rooms-katholieke kerk, positioneerde daarbij de geestelijkheid tot ‘eerste stand’. Maar daarvoor moest het aloude huis van de grote christelijke kerk der vijf patriarchaten voor wat betreft het westerse patriarchaat wel – theologisch en kerkorde- lijk – een aantal fikse verbouwingen ondergaan. Vaak gebeurde dit onder druk van de maatschappelijke omstandigheden.

  • VERBOUWING 1: celibaat, dus priesterkinderen bastaarden zonder erfrecht

Omdat onze kerk gaandeweg erg veel land en onroerend goed in (leen)bezit had, had de adel er groot belang bij dat de kinderen van priester-leenmannen deze goederen niet zouden erven. Onder druk van de adel besloot het Tweede Concilie van Lateranen in 1139 dat geestelijken geen geldig huwelijk meer konden sluiten. Hun eventuele kinderen waren dus bastaarden en daarom uitgesloten van het erven van die goederen (vaak hadden die priesters wel een concubine, een in die dagen gangbare praktijk).

  • VERBOUWING 2: kerk trekt huwelijkswetgeving naar zich toe

Maar dat was niet genoeg. Tot dan toe was het huwelijk een wereldse zaak, geregeld door de belangrijke adellijke families binnen enkele randvoorwaarden van de staat. De kerk trad hier slechts op wanneer orde op zaken gesteld moest worden en er geen andere instantie was met de benodigde kennis en bestuurlijke infrastructuur. Maar nu wilden de feodale heren dat voor iedereen duidelijk was, of iemand wettig gehuwd was of niet. Want bastaarden hadden geen erfrecht. Aanvankelijk ging dit dan over de zogenaamde ‘verboden graden’: binnen bepaalde vormen van bloed- en later ook aanverwantschap kon men niet wettig huwen. Gaandeweg echter trok de kerk het initiatief in huwelijkswetgeving naar zich toe (“om het nooit meer los te laten”, zo merkte Duby ooit op). De geloofsbelijdenis van het Tweede Concilie van Lyon noemde in 1274 voor het eerst het huwelijk als zevende sacrament.

  • VERBOUWING 3: van gemeentevoorganger (originele identiteit) naar offerpriester (afgeleide identiteit)

Zo werden de geestelijken opgesloten in het celibaat en de leken in het huwelijk. De scheidslijn was de seksualiteit. Dat vroeg om een verdere uitbouw van de toegang tot en de legitimatie van de ‘eerste stand’. In de dagen van de ongedeelde kerk had altijd de band met de christengemeente gegolden als het constitutieve moment van de aanstelling van de voorganger. Handoplegging was ‘liturgische omlijsting’ en in noodsituaties kon het ook zonder (Schillebeeckx). Het concilie van Chalcedon (451) had dit vastgelegd (canon 6). Tot in de twaalfde eeuw werd ook in het Westen steeds daarnaar verwezen. Maar gaandeweg gingen de pausen daarvan dispenseren en de handoplegging op zich voldoende verklaren. In een proces dat hier slechts in grove penseelstreken kan worden belicht, werd de handoplegging het constitutieve moment van de aanstelling van de nu tot offerpriester vernauwde voorganger. Om alle reminiscenties aan Chalcedon te ontkrachten verordonneerde het Concilie van Lateranen IV in 1215: “En in ieder geval kan niemand dit sacrament voltrekken behalve een priester die geldig gewijd is, op grond van de sleutels van de kerk, die Jezus Christus zelf aan de apostelen en hun opvolgers heeft toevertrouwd.” Zo werd in het Westen de oorspronkelijke algemeen christelijke identiteit van de voorganger vervangen door een afgeleide identiteit.

  • VERBOUWING 4: van gedachtenismaaltijd naar misoffer, de leer van de transsubstantiatie

De zojuist geciteerde plechtige uitspraak van Lateranen IV volgde op een belangrijke zin: “Er is immers één universele kerk van gelovigen, ..... binnen welke Jezus Christus zelf tegelijk priester en offer is, van wie het lichaam en het bloed in het sacrament van het altaar onder de gedaanten van brood en wijn werkelijk bevat worden, omdat door goddelijke macht het brood wezenlijk wordt veranderd in het lichaam en de wijn wezenlijk wordt veranderd in het bloed, opdat wij om het geloofsgeheim van de eenheid tot stand te brengen zelf zullen ontvangen van het zijne, wat hij aangenomen heeft van het onze.” Door deze nieuwe interpretatie van Matteüs 18, 20 (Want waar twee of drie samengebracht zijn in mijn naam, daar ben ik in hun midden!) en 1 Cor 12, 27 (Welnu: samen zijt ge: lichaam van Christus, en ieder ten dele: leden daarvan.) werd de priester de ‘alter Christus’; zijn volmacht tot consecratie “ging die van engelen te boven”. De ‘eerste stand’ werd een onaantastbare stand. Gezien de grote golf van zogenoemde sacramentswonderen in die dagen ging dit overigens niet zomaar vanzelf.

Zo werden de geestelijken opgesloten in het celibaat en de leken in het huwelijk. De scheidslijn was de seksualiteit

  • VERBOUWING 5: verplichte paasbiecht voor iedere christen

Ditzelfde Lateranen IV verplichtte de gelovigen tot de jaarlijkse paasbiecht. Dat betekende dat het net van parochies over het hele Westen iedereen insloot. Foucault heeft vastgesteld dat juist dit gebod ervoor gezorgd heeft dat een spreken over seksuele handelingen ontwikkeld werd, maar ook dat deze taal altijd ontwikkeld werd onder de negatieve optiek van seksuele handelingen als mogelijkheden tot zonde. Dat heeft onze westerse kijk op seksualiteit diepgaand beïnvloed, zo stelt hij.

 

VOORTAAN TWEE SOORTEN CHRISTENEN 

Op deze wijze werd de eerste stand stevig gevestigd. De algemene opvatting was dat de feodale maatschappij een driepoot was (bidders – oratores, strijders – pugnatores, werkers – laboratores): geen enkele poot kon overleven zonder de andere twee. De eigen poot moest daarvoor zelf sterk zijn, zich niet bemoeien met het domein van de andere. Naar binnen gekeerd dus. Het in die dagen gezaghebbende Decretum Gratiani (omstreeks 1140) vatte de situatie als volgt samen: “Er zijn twee soorten christenen. .... De ene soort ... zijn de geestelijken. Zij ... zijn de koningen, dat wil zeggen: zij regeren zichzelf en de anderen, en zo hebben zij hun rijk in God. ... De andere soort zijn de leken. ... Aan hen is het toegestaan te trouwen.” Maar, zult u zeggen, die feodaliteit is toch al lang verleden tijd. Dat mag waar zijn voor staten en vorstenhuizen, voor onze kerk is deze nog steeds actueel. Want:

  • in een feodaal hof is het behagen van de vorst eerste en laatste norm van alles wat gebeurt; de vorst (bij ons de paus) hoeft zich tegenover niemand te verantwoorden;
  • de scheiding der machten (Montesquieu: trias politica) is in onze kerk nog niet ingevoerd;
  • er is geen gelijkheid van personen: naast de klerikale elite (eerste stand) zou men kunnen spreken van de overige mannen (tweede stand) en de vrouwen (derde stand);
  • men kan slechts geoordeeld worden door zijn gelijken (het zogenaamde privilegium fori): nog in 2002 verscheen in de Acta Apostolicae Sedis een in het Latijn gestelde richtlijn voor de bisschoppen, dat zij bij gevallen van misbruik de Congregatie voor de Geloofsleer moeten informeren, waarna interne berechting onder geheimhouding volgt; over inschakeling van de civiele rechter wordt niet gesproken. Dat thans twee kardinalen, Pell in Australië en Barbarin in Frankrijk, voor een civiele rechter staan, komt door het beleid van de huidige paus en is geen bestaande procedure: onder een nieuwe paus kan de oude gewoonte hernomen worden;
  • hiernaast zou men nog kunnen wijzen op de ceremoniële standskleding waardoor men aan kleur en snit iemands plaats in de feodale orde kan aflezen, op attributen en ornamenten zoals wapen en wapenspreuk, maar dat is dan de categorie aandoenlijke nostalgie, hoewel zeker symbolisch. (In het St Jans-Centrum in Den Bosch worden jonge priesters uitgenodigd een eigen wapen te kiezen met daarbij een wapenspreuk in het Latijn).

Eigenlijk treft men alleen bij de nieuwe geloofsgemeenschappen een moderne gevoeligheid voor deze zaken en toekomst- bestendige modellen aan: gelijkheid van mensen, iedere geaardheid welkom, gedachtenismaaltijd, eigen voorgang(st)er. 
De conclusie moet daarom zijn, dat de leden van de klerikale elite zozeer leven in en vanuit een onwerkelijk hoogverheven zelfbeeld, dat alle andere gelovigen slechts op lagere hoogte kunnen gezien worden. Bij het preconclaaf van 2013 noemde toen nog kardinaal Bergoglio als grootste kwaal dat onze kerk zelfreferentieel is (bedrijfskundetaal: de medewerkers zijn zozeer met zichzelf bezig, dat zij zich niet meer kunnen verbinden met de klant). Bedoelde hij deze zelfde werkelijkheid? Bedoelen wij dat ook met ‘klerikalisme’? De in het begin gemaakte opmerking van José Andrés Murillo dat alles een zaak is van macht, snijdt hout. Bij berechting gaat het dan om beperking van de imagoschade, ook nog wel om een juridische compensatie, uitgedrukt in geld. Maar een zich plaatsen naast het slachtoffer met haar/zijn soms levenslange beschadiging is voor de meesten achter de horizon. Alleen uitzonderlijk herderlijke figuren komen daaraan toe (de paus ook pas na publieke excuses).

 

HET KAN OPNIEUW GEBEUREN  Zolang dit theologisch en kerkordelijk systeem gelegitimeerd blijft worden, blijft herhaling van de geconstateerde feiten ook in de toekomst dreigen. Pas na een geduldige en eerlijke analyse en daaropvolgende adequate maatregelen en besluiten kan dit gevaar bezworen worden.

Voorshands is daarover nog niets vernomen.

(BIJBELCITATEN: NAARDENSE BIJBEL; OVERIGE CITATEN: EIGEN VER- TALING VAN LATIJNSE ORIGINELEN).

MAGAZINE SEPTEMBER 2018  <download hier het artikel in PDF formaat>